Tekstblog: een onafhankelijk, online platform voor tekst- en communicatieprofessionals

 

Door: van Universiteit Utrecht. Op Posted on 29 december, 2011by

Minister DonnerKranten en nieuwswebsites staan er vol mee: politieke nieuwsberichten. Gelukkig maar, want in een democratie moet de politiek voor iedereen toegankelijk zijn. Objectieve en begrijpelijke berichtgeving is daarvoor noodzakelijk. Maar kunnen ‘Henk en Ingrid’ zich via dit soort berichten wel voldoende informeren? Of zijn de verwachtingen over hun leesvaardigheid te hoog?

Dat onderzocht ik samen met Eva Rienks in een bureauanalyse van het bericht ‘Kabinet wil Donner in Raad van State’ (NOS Nieuws, 13-10-2011). Hierin keken we naar de begripsproblemen die de gemiddelde lezer zou kunnen tegenkomen op het niveau van woorden, zinnen en zijn mentale representatie van de tekst. Met ‘gemiddelde lezer’ bedoelen we iemand met taalniveau B1. Dat is volgens Bureau Taal begrijpelijk voor zo’n 95% van de Nederlandse bevolking.

Moeilijke woorden

Woordmoeilijkheid is van oudsher de sterkste voorspeller van tekstbegrip in leesbaarheidsonderzoek (Kraf & Pander Maat, 2009). Maar wat is een moeilijk woord precies? Volgens Stahl (2003) zijn moeilijke woorden bijvoorbeeld woorden die weinig voorkomen, eigennamen, ambigue woorden en vaste uitdrukkingen (idiomen). Daarvan vonden we er in deze nog geen 400 woorden tellende tekst heel wat.

Zo stelden we met behulp van de Woordenlijst taalniveau B1 van Bureau Taal (2009) 39 infrequente woorden vast als ‘vicepresidentschap’ en ‘adviesorgaan’. Daarnaast bevat het artikel 4 ambigue woorden, zoals ‘zittende’ ministers, en maar liefst 13 verschillende eigennamen. Sommige daarvan vereisen veel voorkennis, bijvoorbeeld namen van partijen en politici. Tot slot vonden we 8 uitdrukkingen.

Lastige zinnen

Een tweede belangrijke factor is de moeilijkheid van zinnen, vaak gemeten als zinslengte. Hoewel we nog steeds niet precies weten wat lange zinnen moeilijk maakt (Kraf & Pander Maat, 2009), is in ieder geval duidelijk dat zogeheten lange afhankelijkheden hierbij een rol spelen. Die treden op wanneer zinsdelen die taalkundig gezien bij elkaar horen, ver van elkaar afstaan. Het eerste deel moet dan lang worden onthouden en dat is zwaar voor het werkgeheugen (Gibson & Pearlmutter 1998).

De zinslengte in het artikel is gemiddeld 20 woorden. Uitgeverij en communicatiebureau Eenvoudig Communiceren adviseert een gemiddelde lengte van 10 woorden. Naar deze maatstaf zijn de zinnen dus veel te lang. Zinslengte is echter slechts een oppervlakkige maat voor de moeilijkheid van een tekst, wat het lastig maakt om een eenduidige norm te stellen.

Voorbeeld van een lange afhankelijkheid
Ook een complexe opbouw met veel bijzinnen kan voor problemen zorgen, en die komt veel voor: 14 van de 19 zinnen zijn samengesteld. Bijna de helft daarvan bestaat uit 2 delen, maar er is ook 1 zin die 5 deelzinnen telt. Hoewel niet alle samengestelde zinnen per definitie ingewikkeld zijn, vonden we in die zinnen wel de langste afhankelijkheden. In bovenstaand voorbeeld bevinden zich tussen ‘dat’ en ‘zal’ 5 zogeheten referenten.

Mentale representatie

Met woorden en zinnen alleen zijn we er echter nog niet. Essentieel voor tekstbegrip is namelijk de opbouw van een samenhangend situatiemodel – het niveau van mentale representatie waarop de informatie in een tekst door de lezer wordt aangevuld met eigen wereldkennis (Zwaan & Rapp, 2006).

Updaten van de representatie

Het event‐indexing model onderscheidt 5 dimensies binnen het situatiemodel: ruimte, tijd, personages, doelen en oorzaken (Zwaan & Rapp, 1998). Ieder nieuw feit in een tekst moet door de lezer worden geïntegreerd met zijn op dat moment actieve mentale beeld van deze dimensies. Wanneer er op een bepaalde dimensie iets verandert, bijvoorbeeld door een tijdsprong of de introductie van een nieuw personage, moet hij zijn mentale representatie updaten. Hoe meer van dit soort discontinuïteiten, des te moeilijker de tekst.

Ook in dit geval vonden we weer een groot aantal problemen. Het meest opvallend is de hoeveelheid discontinuïteiten op de dimensie tijd: in bijna de helft van de deelzinnen vindt een tijdsprong plaats. De tekst vliegt als het ware heen en weer tussen heden, verleden en toekomst. Daarnaast wordt 16 keer een nieuw ‘personage’ geïntroduceerd en zijn er 10 nieuwe doelen te onderscheiden.

Samenhang tussen zinnen

De lezer maakt zijn mentale representatie ook door naar coherentie te zoeken met de voorgaande zin. Als die niet gevonden wordt, moet hij een inferentie maken. Dat wil zeggen: zelf de samenhang tussen de 2 zinnen afleiden. Bij minder inferenties is een tekst gemakkelijker om te lezen, stellen Britton & Gülgöz (1991).

Hun eerste coherentieprincipe, ‘gebruik geen verschillende woorden om naar hetzelfde te verwijzen’, wordt in het artikel ruim 50 keer geschonden. Zo wordt er op diverse manieren verwezen naar Donner en zijn kandidatuur. Hier moet de lezer dus zelf ‘infereren’ dat het eigenlijk steeds om dezelfde begrippen gaat. Het tweede principe, dat erop neerkomt dat je in een zin eerst ‘oude’ en dan nieuwe informatie moet geven, wordt wel relatief goed nageleefd.

Tot slot verbieden Britton en Gülgöz het gebruik van impliciete verwijzingen. Dit principe wordt regelmatig geschonden, onder andere door citaten van politici. Die hebben het bijvoorbeeld over ‘een minister’ als ze eigenlijk Donner bedoelen. Daarnaast zijn er impliciete boodschappen in het artikel zelf: aan de ene kant staat er dat Donner officieel geen kandidaat is, maar ergens anders worden maatregelen beschreven die dat juist wel mogelijk maken.

Denk aan je lezers!

Uit onze analyse blijkt dat er voor de gemiddelde lezer bij dit nieuwsbericht op alle niveaus begripsproblemen te verwachten zijn. Henk en Ingrid zullen er waarschijnlijk dus niet veel wijzer van worden. Om generaliseerbare uitspraken te kunnen doen over het niveau van politieke nieuwsberichten is natuurlijk meer onderzoek nodig, maar ik hoop dat de schrijvers ervan in ieder geval nog eens nadenken over wat ze eigenlijk van hun lezers verwachten.

Verder lezen

  • Britton & Gülgöz (1991). Using Kintsch’s Computational Model to Improve Instructional Text: Effects of Repairing Inference Calls on Recall and Cognitive Structures. In: Journal of Education, nr. 3 (329‐345).
  • Bureau Taal (2008). Wat is eenvoudig Nederlands?
  • Bureau Taal (2009). Woordenlijst taalniveau B1.
  • Eenvoudig Communiceren (jaartal onbekend). Richtlijnen Eenvoudig Communiceren.
  • Gibson, E. & Pearlmutter, N. (1998). Constraints on sentence comprehension. In: Trends in Cognitive Sciences, vol. 2, nr. 7 (262‐268).
  • Kraf, R. & Pander Maat, H. (2009). Leesbaarheidsonderzoek: oude problemen, nieuwe kansen. In: Tijdschrift voor Taalbeheersing, nr. 2 (97‐123).
  • Stahl, S.A. (2003). Vocabulary and Readability: How Knowing Word Meanings Affects Comprehension. In: Topics in Language Disorders, nr. 3 (241‐247).
  • Zwaan, R.A., e.a. (1998). Constructing Multidimensional Situation Models During Reading. In: Scientific Studiesof Reading, vol. 2(3) (199‐220).
  • Zwaan, R.A. & Rapp, D.N. (2006). Discourse Comprehension. In: Traxler, M.J & Gernsbacher, M.A. (eds.), Handbook of Psycholinguistics (725‐764).

Reacties

Er is één reactie over “De (on)begrijpelijkheid van politieke nieuwsberichten”

  1. Kritische Lezeres says: | 29/12/2011 om 18:12

    Uw eerste alinea eindigt u met de zin “Of worden er aan hun leesvaardigheid te hoge verwachtingen gesteld?” Is dat correct Nederlands? Kan men ‘verwachtingen stellen aan iets’? Eisen wel, maar verwachtingen? ‘Stellen’ betekent hier ‘voorschrijven’ (zie Van Dale GWNT). Verwachtingen kunnen echter niet worden voorgeschreven, en als ze toch worden voorgeschreven dan zijn het de verwachtingen van die anderen, terwijl het hier gaat om de eigen verwachtingen. Als u begrijpt wat ik bedoel. :-)

Schrijf een reactie

Op deze pagina kunnen geen comments worden geplaatst.