Tekstblog: een onafhankelijk, online platform voor tekst- en communicatieprofessionals

 

Door: van Universiteit van Amsterdam. Op Posted on 8 januari, 2014by

Ironie (Loesje)Cartoons en strips in het taalonderwijs? Jazeker! In het taalonderwijs worden allerlei aspecten van een taal besproken, zo ook de stijlfiguren. Helaas is het theoretische onderwijs, zoals dat nu is, niet voor iedereen weggelegd. Zeker bij lastige onderwerpen, zoals stijlfiguren, kan de droge schooltaal het leren moeilijker maken dan nodig is. Daarom stel ik een meer visuele onderwijsmethode voor het stijlfigurenonderwijs op het havo en vwo voor.

Taaltrucjes in studieboeken

          “De hemel, waarin grauwe bergen lood stonden.”

Velen van jullie hebben bij het lezen van de vorige zin vast (onbewust) gedacht aan poëzie, gedichten, stijlfiguren en metaforen. Hoogstwaarschijnlijk kwam ook het woord ‘saai’ wel in je op. Dat is helemaal niet zo gek. Veel mensen hebben namelijk over stijlfiguren geleerd door zulke teksten te bekijken.

Dat leren over ‘taaltrucjes’, zoals studieboeken stijlfiguren graag noemen, gebeurt zowel klassikaal als zelfstandig. Leerlingen maken kennis met de theorie door studiemateriaal over stijlfiguren te bestuderen. Later mogen zij hun kennis testen door ‘saaie’ poëzie en literatuur op stijlfiguren te analyseren. Deze onderwijsmethode van theorie bestuderen en gedichten analyseren is vooral theoretisch.

Moet deze methode wel zo theoretisch zijn? Hoe zou een meer visuele methode met cartoons bij kunnen dragen aan het stijlfigurenonderwijs op het havo en vwo? Dat zijn de twee belangrijkste vragen in dit artikel. De voorbeelden van het huidige systeem haal ik uit twee syllabi, een van een Het Nieuwe Lyceum te Bilthoven (vwo) en een van het Christelijk Lyceum Zeist (havo), en uit het meest gebruikte studieboek Nederlands Nieuw Nederlands (Noordhoff Uitgevers, 2008).

Achtergrond: stijlfiguren in het kort

Kan het onderwijssysteem beter?

Dat veel scholen gebruikmaken van het theoretische systeem kan de indruk wekken dat het onderwijs op deze manier functioneert. Betekent dit dat het onderwijs maar zo moet blijven? Volgens mij niet. Dat iets functioneert, betekent niet dat het niet beter kan functioneren en ik denk dat het stijlfigurenonderwijs op drie punten verbeterd kan worden.

Ver-van-ons-bed-voorbeelden

De meeste van de voorbeelden spreken middelbare scholieren niet erg aan; jongeren hebben vaak weinig met (oude) poëzie. Dat terwijl alledaags taalgebruik vol zit met stijlfiguren (Mulken, Van Enschot-van Dijk en Hoeken, 2003). Modernere voorbeelden sluiten meer aan op de belevingswereld van de scholieren en maken het onderwerp stijlfiguren toegankelijker voor hen. Om dit eerste punt te verbeteren, kunnen voorbeelden uit songteksten en actuele strips en cartoons gehaald worden.

Onvoldoende toegankelijke onderwijsmethode

Niet alleen de voorbeelden maken het onderwerp minder toegankelijk voor jongeren. De onderwijsmethode an sich is voor bepaalde groepen havo- en vwo-leerlingen geen ideale methode. ‘Waarom niet?’, zal je je misschien afvragen. Dat heeft ermee te maken dat iedereen anders leert. De een is verbaal-linguïstisch ingesteld; de ander juist visueel-ruimtelijk. De een denkt in woorden en leert door te spreken, te luisteren, te lezen en te schrijven. De ander heeft meer moeite met woorden, en denkt en leert beter in beelden (Ebbens en Ettekoven, 2009: 115). Velen denken dat deze tweede groep alleen op het vmbo voorkomt, maar dat is niet het geval. Ook havo- en vwo-leerlingen kunnen visueel-ruimtelijk ingesteld zijn. Voor hen is een puur theoretische aanpak, zoals de huidige, niet geschikt.

Vergelijk maar eens de situaties in figuur 1:

 Figuur 1: puur theorie vergeleken met theorie verpakt in een visueel-ruimtelijke aanpak

 

Het is niet zo dat alleen ‘speciale’ groepen moeite hebben met het theoretische taalonderwijs. Voor veel mensen is schooltaal veel abstracter en afstandelijker dan zij gewend zijn (Hajer en Meestringa, 2011: 33). Dat maakt het leren lastiger.

Variatie en visuele voorbeelden

Het huidige stijlfigurenonderwijs op het havo en vwo lijkt dus te theoretisch. Daarnaast biedt het te weinig variatie en visuele ondersteuning. Een onderwijsvorm met naast het theoretische deel een meer activerend deel houdt rekening met alle leerlingen. In Taalgericht vakonderwijs zeggen Hajer en Meestringa (2011: 32) dat visuele ondersteuning en een aanbod van verschillende soorten teksten en verschillende werkvormen daar heel belangrijk bij zijn. Dat zal dan ook in mijn methode terugkomen.

Best nuttig onderwijs

Het onderwijs kan en moet dus anders. Maar waarom is het van belang dat havo- en vwo-leerlingen de stijlfiguren goed leren beheersen?

Vergaderingen, discussies, sollicitatiegesprekken, speeches, debatten, zelfs een (blind) date. Een kleine greep uit de situaties waarin stijlfiguren van pas kunnen komen. Het amuserende effect en de overtuigingskracht van stijlfiguren kan in vervolgopleidingen, het werkleven, bij het creatief schrijven en in het dagelijks leven van pas komen. Goed onderwijs kan scholieren helpen bij het begrijpen en produceren van stijlfiguren in het echte leven. En dat kan in de toekomst van pas komen.

Daarom is het van belang dat het stijlfigurenonderwijs verbeterd wordt. Een moderne, meer visuele onderwijsmethode kan uitkomst en een goede basis voor de toekomst bieden.

Cartoon als oplossing biedt uitkomst

Hoe moet die moderne, visuele onderwijsmethode voor havoërs en vwo’ers er dan uitzien? Om de drie problemen op te lossen stel ik het gebruik van cartoons voor. We kunnen de cartoons als visuele ondersteuning bij de theorie in de studieboeken en syllabi inzetten om variatie in de oefeningen aan te brengen. Belangrijk daarbij is dat de door mij voorgestelde methode de theoretische methode niet moet vervangen, maar aan moet vullen.

Zicht op visualisering van de theorie

Op wat voor manier kun je cartoons als visuele ondersteuning bij de theorie inzetten? De metafoor bijvoorbeeld, wordt in de theorie als volgt beschreven:

          Bij een metafoor is er ook weer sprake van een vergelijking die berust op overeenkomst, maar het                     bedoelde staat niet in de  zin/tekst, alleen het beeld wordt genoemd. (…)

          De hemel, waarin grauwe bergen lood stonden.

          Met grauwe bergen lood bedoelt de schrijver hier zware wolken. De overeenkomst zit hem vooral in de             kleur van het lood (donkergrijs) en de wolken.

          (Syllabus bovenbouw vwo; Het Nieuwe Lyceum, Bilthoven) 

Een cartoon maakt de tekst visueel aantrekkelijker, omdat hij de aandacht trekt. Zoals deze cartoon:

Figuur 2: de luie hond als metafoor voor de PvdA

De hond is hier een metafoor voor de PvdA, die toentertijd bekend stond als slap en niet bepaald assertief.

 

 

 

 

Ook bij de personificatie kan een cartoon de theorie leuker maken. Een voorbeeld van een personificatieomschrijving uit een huidig theoretisch leerboek is:                           

          Een bijzondere metafoor, waarbij een begrip of een zaak menselijke eigenschappen krijgt toebedeeld.           Bijv.: De motor snort tevreden. (…) Schaduw slaapt langs de bergen. (dichtregel van Herman Gorter)

          (Syllabus 4 havo; Christelijk Lyceum Zeist) 

Figuur 3: de werkloosheid met als personificatie de reusachtige man

 

Een cartoon maakt deze omschrijving niet alleen leuker, maar ook begrijpelijker. De afbeelding geeft de definitie van de personificatie namelijk direct in beeld weer:

 

 

 

Een ander voorbeeld van hoe een cartoon de theorie kan verhelderen, vind je bij de hyperbool. Nieuw Nederlands legt de hyperbool als volgt uit:

          Een hyperbool is een zware overdrijving.                                                                                                                              –     In een oogwenk was de dief er met de buit vandoor gegaan.

          (Nieuw Nederlands, Noordhoff Uitgevers)

 

Door een cartoon toe te voegen wordt deze omschrijving tastbaarder:

Figuur 4: de paniek op zich is een hyperbool; 2 op de schaal van Richter is nauwelijks waarneembaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cartoons kunnen op deze manieren helpen om een definitie of omschrijving leuker, aantrekkelijker en begrijpelijker te maken.

Stijlfiguren onder de knie krijgen

Na het bestuderen van de theorie moeten leerlingen hun kennis toepassen. Moet je dat alleen aan de hand van poëzie en andere literatuur laten doen?  Nu bestaan oefeningen vaak uit gedichten en liedteksten met opdrachten en vragen, zoals: Zoek/vind/noteer de stijlfiguren, leg uit dat sprake is van stijlfiguur, welke vorm van stijlfiguur wordt hier gebruikt? Deze opdrachten vereisen geen actieve leerhouding. De leerlingen hoeven hun kennis namelijk niet daadwerkelijk toe te passen. Om informatie te kunnen laten bezinken is een actieve houding wel van belang (Hajer en Meestringa, 2011: 32).

Andere oefeningen vereisen wel zo’n actieve leerhouding. Leerlingen moeten bijvoorbeeld voorbeeldzinnen bedenken en voorbeelden in reclames, kranten en tijdschriften opzoeken. Kunnen cartoons dan iets bijdragen? Dat kan zeker! Met cartoons kun je variatie bieden. Leerlingen leren hun kennis dan toe te passen in een verbale en in een visuele context. Verschillende soorten oefeningen zijn mogelijk, bij de voorbeeldoefeningen stel ik het stijlfiguur woordspeling centraal:

          Vaak wordt bij woordspelingen een woord in twee verschillende betekenissen gebruikt, waardoor het               grappige effect bereikt wordt.

          (Nieuw Nederlands, Noordhoff Uitgevers)               

Figuur 5: woordspeling 'eerste klas'

 

 

 

 

 

 

Oefening baart kunst

Om te illustreren hoe oefeningen aan de hand van strips eruit kunnen zien, volgen enkele voorbeeldoefeningen:

1. Vaak is er in cartoons sprake van een misverstand dat in de context een grap oplevert. Laat leerlingen bekijken wat het misverstand is en laat hen de mogelijke betekenissen achterhalen.

Voorbeeld 1:  

Figuur 6: Pakezel (Stamgasten 31-10-2012) , Toon van Driel

 

 

 

 

 

 

 

De term pakezel(lastdier) wordt verwisseld met de interpretatie ‘ezels in pak’.

Voorbeeld 2:

Figuur 7: Bokkenpruik (Stamgasten 28-10-2012), Toon van Driel

 

 

 

 

 

 

 

Het spreekwoord ‘de bokkenpruik op hebben’ (een slecht humeur hebben) wordt hier letterlijk weergegeven als een bok met een pruik op.

2. Een andere oefening kan bestaan uit het aanbieden van onvolledige strips. Leerlingen moeten dan de verschillende slotoptie invullen. Op deze manier leren zij om betekenissen in te vullen op basis van de context en om extra betekenissen te zoeken.

Voorbeeld 1:

Figuur 8: Bultrug (Stamgasten 18-12-2012), Toon van Driel

 

 

 

 

 

 

Een aanvulling op de tekst, context en de gezichtsuitdrukkingen kan zijn dat een bultrug (walvis) ziek/dood is. Het kan ook dat de tweede pinguïn een bochel (bult) op zijn rug heeft.

Voorbeeld 2:

     Figuur 9: DirkJan (2010), Mark Retera

 

 

 

 

 

 

 

Een aanvulling kan zijn dat de ander qua uiterlijk erg op Pamela Anderson lijkt. Een andere aanvulling kan zijn dat de ander letterlijk iets van Pamela Anderson heeft.

3. Als derde opdracht kan de docent de leerlingen zelf een cartoon/strip laten maken of zoeken.

4. Om te controleren of de leerlingen de stof beheersen, kan een toets afgenomen worden. De toetsing kan bestaan uit een theoretisch en een visueel deel.

Lacht de toekomst ons tegemoet?

Door het huidige stijlfigurenonderwijs aan te vullen met cartoons, zal het onderwijs meer aanspreken en toegankelijker worden. Doordat er meer variatie geboden wordt, zullen leerlingen daarnaast meer geactiveerd worden. Het is de bedoeling dat cartoons het stijlfigurenonderwijs op havo- en vwo-scholen in de toekomst vergemakkelijken, verbeteren en leuker maken. Als het goed is zal iedere scholier die stijlfiguren niet alleen op de droge, ouderwetse manier leert, inzien dat stijlfiguren lang zo saai nog niet zijn. Met een gevarieerd aanbod van voorbeelden en oefeningen ter ondersteuning van de huidige methode zouden zij de stijlfiguren beter moeten gaan beheersen dan nu het geval is. Zij zouden allerlei stijlfiguren in iedere tekstsoort moeten kunnen ontdekken. Ontdekte jij die in de kopjes van dit artikel?

Referenties

Ebbens, S en S. Ettekoven (2009), Effectief leren, basisboek. Houten: Noordhoff Uitgevers Groningen.

Hajer, M en T. Meestringa (2011), Handboek taalgericht vakonderwijs. Bussum: Uitgeverij Coutinho.

Lagerwerf, L. en B. Jousma (2000), ‘Waardering en herkenning van dubbelzinnige slagzinnen’. In: Tijdschrift voor Taalbeheersing, jrg. 22, nr. 3, p. 324-343.

Mulken, M. van, R. Enschot-van Dijk van en H. Hoeken (2003), ‘Woordspeling en waardering: De waardering voor verschillende typen woordspeling in advertentieslogans’. In: Studies in taalbeheersing, nr. 1,  p. 343-353.

Mulken, M. van (2005), ‘De verpakking van maandverband. De ontwikkeling van retoriek in tijdschriftadvertenties’. In: Tijdschrift voor genderstudies, jrg. 8, nr. 1, p. 15-25.

Bronnen figuren

Figuur 1+4: http://www.foksuk.nl/

Figuur 2: http://www.nrcnext.nl/blog/2011/01/11/hier-zit-de-beste-politieke-cartoon-bij/, (Len Munnik, PvdA-oppositie, Trouw, 12 oktober 2010)

Figuur 3: http://www.tomjanssen.net/

Figuur 5+9: http://www.veronicamagazine.nl/entertainment/strips?

Figuur 6+7+8: http://toonvandriel.nl/category/strips/

Reacties

Geen reacties over “Cartoons: een frisse blik op stijlfigurenonderwijs”

Schrijf een reactie

Op deze pagina kunnen geen comments worden geplaatst.