Tekstblog: een onafhankelijk, online platform voor tekst- en communicatieprofessionals

 

Door: van Universiteit van Amsterdam. Op Posted on 2 december, 2014by

Foto van Herman Finkers

Het drielandenpunt! ’t Is wel leuk dat er een plek is waar drie landen bij elkaar komen, maar om daar nou een punt van te maken… Herman Finkers, die in 2015 de oudejaarsconference verzorgt, maakt veelal gebruik van dubbelzinnigheid in zijn taalgrappen. Maar waarom is dat zo hilarisch? Hoe werkt die dubbelzinnigheid precies?

 

Hermans humor

Hij won de Groenman-taalprijs niet voor niets; Herman Finkers is de koning van de taalgrap. Volgens het juryrapport verwacht de toeschouwer de wending, maar is hij vrijwel nooit in staat het juiste resultaat te voorspellen. Hoe krijgt Finkers dat voor elkaar? Zijn geheim: dubbelzinnigheid, ofwel ambiguïteit. Met zijn taaluitingen stuurt Finkers zijn publiek een bepaalde kant op; hij dwingt zijn publiek de uitspraken die hij doet op een bepaalde manier te interpreteren. Na de conclusie – vaak een mooie uitsmijter – blijkt dat er sprake is van een geheel andere betekenis.

Finkers en de maximes van Grice

Hoe het mogelijk is dat Finkers zijn publiek op het verkeerde been zet, kan uitgelegd worden aan de hand van de communicatietheorie van Paul Grice. Volgens Grice (1970) maken taalgebruikers bij hun communicatie gebruik van het samenwerkingsbeginsel. Het samenwerkingsbeginsel gaat ervan uit dat de spreker zich in principe houdt aan een aantal afspraken, maximes genaamd. Een van die maximes is de maxime van relevantie: een luisteraar kan ervan uitgaan dat een taaluiting van een spreker relevant is. Dit wordt duidelijk geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:

Marie: Mag ik wat geld van je lenen?

Jan: Mijn portemonnee ligt in de keuken.

Marie stelt een vraag waar eigenlijk maar twee antwoorden op mogelijk zijn: ‘ja’ of ‘nee’. ‘Mijn portemonnee ligt in de keuken’ is echter een heel ander antwoord; een antwoord waarin het woordje ‘ja’ of ‘nee’ niet eens voorkomt. Je zou kunnen stellen dat het antwoord van Jan dan ook onzinnig is en niets met Marie’s vraag te maken heeft. Toch kan Marie het antwoord als een ‘ja’ opvatten: ze kan er immers van uitgaan dat Jan niet zomaar een zin uitspreekt, maar dat hij een antwoord geeft dat relevant is. Zonder dit principe zal Finkers nooit de lachers op zijn hand krijgen: iedere wending in zijn grap lijkt dan een volstrekt willekeurige uitspraak.

De luisteraar maakt volgens Grice ook gebruik van zijn kennis van de wereld om te achterhalen wat de spreker precies bedoelt (van Eemeren en Grootendorst, 1981). De luisteraar bouwt met behulp van zijn kennis van de wereld een mentale representatie van de betekenis van een taaluiting op (Karreman en van Enschot, 2013). Een voorbeeld:

Vannacht is een caravan van de Afsluitdijk geblazen: zevenenzestig mensen konden worden gearresteerd. (Finkers, 1985)

Wanneer de luisteraar de eerste zin hoort maakt hij in zijn hoofd een voorstelling van de beschreven situatie. Door het woordje ‘Afsluitdijk’ in combinatie met ‘geblazen’ heeft de luisteraar al snel een beeld voor zich van een open, hoger gelegen plek met veel wind. Het waaide zelfs zo hard dat de wind de caravan omver heeft geblazen. Uit de zin die volgt blijkt dat niet de wind, maar een aantal mensen de caravan omver heeft geblazen. Dat klopt niet met de mentale representatie die de luisteraar eerder heeft opgebouwd – en dat heeft een humoristisch effect.

Finkers en ambiguïteit

Bij ambiguïteit kan een bepaalde uiting op twee of meer manieren worden opgevat. Dat kan bij visuele en bij linguïstische uitingen. Bij visuele ambiguïteit is een afbeelding op meerdere manieren te interpreteren; bij linguïstische ambiguïteit is dat het geval bij een taaluiting. Schultz en Pilon (1973) onderscheiden drie soorten linguïstische ambiguïteit: lexicale, fonologische, en syntactische ambiguïteit. Karreman en Van Enschot (2013) noemen een vierde soort: referentiële ambiguïteit. Finkers verwerkt deze vier soorten ambiguïteit veelvuldig in zijn shows. Op welke manier doet hij dat?

Lexicale ambiguïteit

Lexicale ambiguïteit doet zich voor wanneer een woord meerdere betekenissen heeft (Schultz en Pilton 1973: p.728). Een voorbeeld daarvan geeft Herman Finkers wanneer hij vertelt over een getrouwd stel dat een paardenranch in Schotland wil beginnen:

Dat lukt hen ook aardig en net wanneer de boerderij lekker floreert, wat gebeurt er? Struikrovers… Ja, struikrovers! In de wijde omgeving was geen struik meer te bekennen. (Finkers, 1985)

Ook hier maakt de luisteraar weer een mentale representatie van een paardenranch en struikrovers – een beeld dat na het lezen van de laatste zin niet blijkt te kloppen.

Fonologische ambiguïteit

Wanneer de uitspraak van een woord op meerdere manieren kan worden geïnterpreteerd, is er sprake van fonologische ambiguïteit (Schultz en Pilton, 1973 p.728). Een goed voorbeeld van een fonologisch ambigue grap is de volgende:

Jezus komt binnen en ziet zijn vader staan die net een tafelpoot staat te frezen:

‘Vrees niet, vader.’

‘Ja, maar het moet af.’ (Finkers, 1995 )

Het effect van een grap met fonologische ambiguïteit is veel minder groot wanneer je het leest. Dat komt omdat er in het geschreven woord geen ambiguïteit plaatsvindt: ‘frezen’ is iets anders dan ‘vrezen’.

Syntactische ambiguïteit

Bij syntactische ambiguïteit kunnen woordgroepen op verschillende manieren verdeeld worden binnen een zin (Schultz en Pilton, 1973 p.728). Een goed voorbeeld is de volgende grap van Finkers:

In Wenen is een standbeeld met hakenkruisen beklad. De Oostenrijkse president Waldheim heeft hier bijzonder heftig op gereageerd: ‘Het was potverdikkeme het laatste standbeeld met hakenkruisen dat we nog hadden’, aldus de president. (Finkers, 1990)

De dubbelzinnigheid van de zinsstructuur in de eerste zin speelt een sleutelrol in deze grap. Met haken is die dubbelzinnigheid aangegeven:

1. In Wenen is [een standbeeld] met hakenkruisen beklad.

2. In Wenen is [een standbeeld met hakenkruisen] beklad.

De opbouw van een mentale representatie is ook hier van belang: met kennis van de wereld – in dit geval specifieke kennis over hakenkruisen – zal een luisteraar de eerste betekenis toekennen aan de uitspraak van Finkers.

Een ander voorbeeld waarbij Finkers syntactische ambiguïteit gebruikt:

Hans zei: ‘Grietje, zal ik vandaag mijn korte rokje aantrekken?’ [Finkers kijkt verbaast en leest nog eens goed, nu gecorrigeerd] ‘Hans’, zei Grietje, ‘zal ik vandaag mijn korte rokje aantrekken?’ (Finkers, 1995)

Eigenlijk is hier geen sprake van ambiguïteit. Beide zinnen hebben maar één betekenis. Maar als je de woorden ‘los’ op papier zet, zijn er wel verschillende manieren waarop je de zinnen kan uitspreken. Met behulp van intonatie, hier weergegeven met interpunctie, toont Finkers de twee manieren waarop de woordgroepen verdeeld worden. De grap bevat dus geen ambigue taaluiting; Finkers speelt enkel op humoristische wijze met het verschijnsel syntactische ambiguïteit.

Referentiële ambiguïteit

Bij referentiële ambiguïteit kunnen verwijzingen naar andere woorden of zinnen dubbelzinnig zijn; het is onduidelijk aan welke woorden of zinnen de verwijzing refereert. Het verschijnsel referentiële ambiguïteit wordt besproken binnen de coherentieanalyse, waarbij de samenhang van de tekst centraal staat. Coherentieanalytici bestuderen onder andere de verwijzingen binnen een tekst. Volgens Karreman en Van Enschot (2013) zijn de meeste verwijzingen anaforische verwijzingen . Daarmee wordt een woord of uitdrukking bedoeld waarmee je verwijst naar een woord of uitdrukking eerder in de tekst. In de volgende zin verwijst het woordje ‘hij’ naar ‘Piet’:

Piet gaat naar de winkel. Hij koopt een brood.

In dit geval is het verwijzende woord een persoonlijk voornaamwoord. De verwijzing kan echter ook bestaan uit bijvoorbeeld een aanwijzend voornaamwoord (zoals ‘dit’ of ‘deze’) , bezittelijk voornaamwoord (zoals ‘mijn’ of ‘haar’) of een voornamelijk bijwoord (zoals ‘erover’ of ‘daarmee’). In de volgende grap laat Finkers zien hoe referentiële ambiguïteit werkt.

De dokter vroeg mij laatst:

‘Drinkt u veel?’

‘Ach, dat weet ik niet, dokter, wat noemt u veel?’

‘Nou ja, laten we zeggen, een kratje in de week?’

‘O nee, dokter! Dat haal ik niet. Een week…’

(Finkers, 2012)

De ambiguïteit zit in het woordje ‘dat’ uit de zin ‘dat haal ik niet’. De luisteraar gaat ervan uit dat deze verwijzing refereert aan ‘een kratje’. Uit de laatste zin blijkt dat de referentie was bedoeld voor ‘in de week’.

Het recept voor een grap

Kunnen we met behulp van de besproken inzichten op het gebied van humor en ambiguïteit nu zelf aan de slag om grappen te verzinnen? Ik denk het niet. De ambigue grappen van Herman Finkers bestaan uit meer dan alleen dat ene dubbelzinnige woordje. Het is het verhaal eromheen dat de luisteraar meevoert, de omlijsting van de grap die de uiteindelijke clou ondersteunt. Ook timing is heel belangrijk. Soms pauzeert Finkers kort voor hij de clou vertelt; de luisteraar heeft tijd nodig om de mentale representatie op te kunnen bouwen. De

grap komt dan extra onverwacht aan. Dat is bij de grap over struikrovers het geval. Soms pauzeert Finkers juist niet en komt de clou direct na het verhaal. Dat gebeurt vaak wanneer de grap wat meer voor de hand ligt. De grap met de fonologische ambiguïteit is daar een mooi voorbeeld van: het publiek zou zelf de woordspeling ‘frees/vrees’ kunnen begrijpen. Om dat voor te zijn, maakt Finkers snel zelf de grap.

Met alleen het verzinnen van een woordspeling zijn we er dus niet. De context en timing zijn heel belangrijk om een grap te laten slagen. Ook smaak is van belang voor het wel of niet waarderen van humor. De één vindt de grappen van Finkers ‘flauw’, de ander vind ze ‘goed gevonden’. Ik zou zeggen: oordeel zelf. Op 31 december 2015 staat hij weer op de planken. En wat mij betreft wordt het weer een dubbelzinnige avond.

Referenties

Eemeren, F.H van; Grootendorst, R (1981) Verzwegen argumenten voor Utrechters verklaard.
Tijdschrift voor Taalbeheersing, vol.3.
Finkers, H. (1985) EHBO is mijn lust en mijn leven.
Finkers, H. (1995) Geen spatader veranderd.
Finkers, H. (1990) De zon gaat zinloos onder, morgen moet ze toch weer op.
Finkers, H. (2012) De cursus ‘omgaan met teleurstellingen’ gaat wederom niet door. Amsterdam: Thomas Rap
Grice, H. P. (1970) Logic and conversation. Syntax and Semantics, vol.3 bewerkt door P. Cole and J. Morgan, Academic Press.1989, 40–58.
Karreman, J; Enschot, R. van (2013) Tekstanalyse. Methoden en toepassingen. Assen: van Gorcum B.V
Shultz, T.R; Pilon, R (1973) Development of the ability to detect linguistic ambiguity. Child development, vol. 44, nr. 4.

Reacties

Geen reacties over “Dubbelzinnigheid in de humor van Herman”

Schrijf een reactie

Op deze pagina kunnen geen comments worden geplaatst.